Daar staan we. In de nieuwe kamer van papa. Hij moet uit huis, is beter af op een plek met meer zorg, Hij wil graag terug. Naar wat hij daar dan ook mee bedoelt. Het is een mooie kamer in een, naar wat het op het eerste gezicht lijkt, fijne woonomgeving. Het is een huis speciaal voor mensen met dementie. Het ziet er best gezellig uit.

Ik heb, mezelf misschien, altijd geleerd een masker te dragen. Daar ben ik goed in al gaat het me het laatste jaar minder goed af. Maar nog altijd lukt het me aardig. Zo ook vandaag.

Ik meet de muren op terwijl de tranen in m’n ogen branden. Wat kan er mee, wat moet er mee? En hoe kunnen we het zo praktisch en gezellig mogelijk inrichten? Ik praat maar mee om m’n gevoel even op de achtergrond te laten. In de gemeenschappelijke ruimte zitten zijn toekomstige medebewoners. Oude, demente mensen. Ik zie ze maar kijk snel weg. Ik wil graag rondkijken waar papa gaat wonen. Maar ik durf ook niet zo goed, het is confronterend. Ik heb veel vragen maar durf ze niet te stellen aan de aardige mevrouw die ons binnenliet. Bang om in huilen uit te barsten.

Het is zo dubbel maar ik denk dat papa het er fijn kan hebben. We hebben een goed gevoel bij de plek. Hij is de enige man op de verdieping, en papa kennende gaat hij de dames verblijden met zijn pianospel en eindeloze verhalen. En hoewel papa in zijn eigen huis hoort, is het goed zo. Jij zou het ook een fijne plek hebben gevonden en hem er met een gerust hart kunnen achterlaten. Het is niet anders. Slaap lekker lief zusje.