We zijn bij pap geweest en hebben met hem gewandeld. Onderweg vertelde hij honderduit over ditjes en datjes. Over de vogels, de vele auto’s en de ‘prachtige bomen’ die hij tijdens zijn dagelijkse wandeling tegenkomt. Hij vertelde trots dat hij iedereen op straat kent en zij hem. Ik zag in z’n ogen dat hij geen idee had wie ik was. Toen ik mijn naam noemde ging er geen belletje rinkelen en dat ik hem herhaaldelijk ‘pap’ noemde, bleek niet binnen te komen. Ik vertelde dat ik met jou nog in een rubberboot in de sloot heb gespeeld en dat we samen op diezelfde sloot hebben geschaatst. Er ging geen lichtje branden. Wel wist hij even later te vertellen dat je ziek was geweest en helaas was overleden. De link tussen jou en mij maakte hij niet en hij ging weer over op de ‘koetjes en kalfjes’ .

Nadat we hadden uitgelegd wie we waren, zag ik een twinkeling in z’n ogen. Hij leefde even op ‘Dus, ik ben opa? Jij bent míjn dochter?’. Verdrietig om te zien dat er van pap niet veel over is, alleen z’n uiterlijk ken ik nog. De hardwerkende intelligente man is er niet meer.

De laatste twee jaar heb ik gedacht dat papa’s gezondheid ons weer samen zou brengen. Simpelweg omdat we wel zouden moeten. Maar ineens glipte jij er tussenuit. Dat was nooit de bedoeling. Slaap lekker lief zusje.