Ik lig in bed en lees een boek. Er is een personage overleden. Ineens voel ik een soort paniekscheut. Je was niet meer bij toch, de laatste twee dagen in het ziekenhuis voordat je overleed? Ik was er namelijk ook, natuurlijk was ik er. Een paar deuren verderop. Want als je wel bij was, was ik toen zeker naar je toe gegaan.

Ik durfde niet naar je toe. Het was geen prettig gezicht zei mam. Ik kon het niet. Ik weet nog wat ik dacht: ‘hoe dan ook, ik wil haar snel weer zien’. Als ik het opnieuw kon doen, had ik het niet anders gedaan. Maar ik had je moeten bezoeken toen je nog wel bij was.

En ineens voel ik me ontzettend schuldig. Je hebt nooit geweten hoeveel ik aan je dacht. Ik zocht je niet op omdat je voor de zoveelste keer in het ziekenhuis lag. Elke keer kwam je er weer uit. Ik kon het niet aan. Ook deze keer dacht ik dat het met een ‘sisser’ zou aflopen. De ernst van de situatie zag ik niet in. Zag iemand dat in? Ik kwam te laat. Ik had moeten gaan. Ik wil je zo graag een knuffel geven, je aanraken. Ik had je moeten zeggen dat ik van je hou. Toen, nu en voor altijd. Slaap lekker lief zusje.